19 mei 2015

share
EmailLinkedInTwitter

De Ladder voor duurzame verstedelijking is het ideale afwegingskader voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Maar zolang gemeenten nog aan te veel en deels matige plannen werken, is Nederland nog niet dicht bij het ideaal. Pijnpunten zijn verder dat het begrippenkader van de Ladder onduidelijk is en dat de rol van provincies verwarrend is. Dit zijn conclusies van de discussiemiddag die Hekkelman Advocaten & Notarissen, Radboud Universiteit en Stec Groep hielden op maandag 11 mei met 35 gevorderde deelnemers van gemeenten, regio’s en provincie.

De Ladder leidt tot veel discussies in het land en veel plannen die onderuit gaan bij de Raad van State; reden voor Hekkelman, Radboud Universiteit en Stec Groep een middag te organiseren over kansen en dilemma’s van de Ladder op lange termijn.

Stec Groep: veel plannen voldoen niet aan Ladder

Peter van Geffen van Stec Groep trapte af: ‘Veel plannen gaan onderuit op de Ladder bij de Raad van State omdat gemeenten flink moesten wennen aan de Ladder. De oorzaak is echter ook het feit dat er te veel (harde) plannen in Nederland zijn; dit door de crisis en door prognoses die voor veel regio’s aangeven dat er ook op lange termijn veel minder vastgoed nodig is dan gepland. Motiveer dan maar eens dat een plan nodig is. Bovendien is regionale afstemming in Nederland vaak niet optimaal.’
Een derde van de plannen van gemeenten is goed, aldus de vuistregel van Stec Groep, en past binnen de Ladder. Een derde is slecht en voldoet niet aan de Ladder. Een derde moet worden aangepast en kan in aangepaste vorm de Ladder-toets doorstaan. Peter van Geffen: ‘Beleid (woonvisies, regionale bedrijventerreinprogrammering, structuurvisies) moet veel meer Ladder-proof worden gemaakt.’

Hekkelman: begrippenkader Ladder onduidelijk, met name  begrippen ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’

Tycho Lam van Hekkelman en Radboud Universiteit: ‘Zelfs na 2½ jaar werken met de Ladder en veel Raad van State-uitspraken is bij voorbeeld nog steeds onduidelijk of er sprake is van ‘een nieuwe stedelijke ontwikkeling’ en een daarmee samenhangende Ladder-plicht. Onder meer omdat functieverandering van bestaande gebouwen (transformatie) soms wel, soms niet als Ladder-plichtig wordt gezien door de Raad van State. Ook bij het herbestemmen van bestaande locaties is onzeker of er wel of geen Ladder-plicht geldt.’
Daarnaast is de inhoud van ‘bestaand stedelijk gebied’ nog in ontwikkeling. ‘De Raad van State heeft inmiddels geoordeeld dat bestaand stedelijk gebied op basis van het Bro een beperkter gebied kan inhouden dan wat volgens de provinciale verordening tot het bestaand stedelijke gebied behoort.’

Conclusies: irritante trekjes elimineren om Ladder te kunnen omarmen

Conclusies aan het eind van de middag waren:

  • De sense of urgency moet omhoog over het feit dat Nederland te veel plannen heeft en betere (regionale) programmering moet maken. Het rijk moet beter communiceren waarom de Ladder er is.
  • Het begrippenkader van de Ladder moet worden verduidelijkt. Het verdient geen aanbeveling dat aan de bestuursrechter over te laten.
  • De Ladder moet een volwaardige plaats krijgen in het (regionaal) beleid en regionale afstemming. Daardoor zal het veel makkelijker zijn om bij individuele plannen de Ladder-afweging te motiveren.
  • Provincies moeten een heldere plek krijgen bij de Ladder. Het Bro maakt niet duidelijk of en zo ja welke rol provincies (moeten) vervullen. Gevolg is dat er nu verschillen zijn tussen de provincies in de mate waarin ze de Ladder omarmen. En is het voor provincies regelmatig lastig om de Ladder te incorporeren in hun taken.